Home Over mij Instrument Muziek Bands Lessen Foto's Links Contact Humor

Mijn instrumenten

Inleiding
Sinds 1993 speel ik piano-accordeon. De eerste 10 jaar dat ik speelde, heb ik nooit de behoefte gehad ook andere instrumenten te leren spelen. Dit komt ten eerste omdat je sowieso wel even zoet bent met het leren van dit instrument. Ten tweede kon ik alles spelen wat ik wilde spelen. Door de vele functies van het instrument, kan je er als een soort 'eenmansband' allerlei stijlen op spelen. Nu had ik bovendien de mazzel dat ik werd gegrepen door de muziekstijl waarin de accordeon zich helemaal thuisvoelt: folk.

Sinds ik mij ben gaan verdiepen in de Ierse en Schotse folk, ben ik ook eens gaan kijken naar andere soorten instrumenten. Dit had verschillende redenen. Ten eerste had ik mij al zolang alleen op accordeon gericht, dat ik wel eens de behoefte had aan wat anders. Ten tweede kwam ik door de Ierse muziek sowieso veel meer in aanraking met andere instrumenten. Daarvóór speelde ik eigenlijk alleen met andere accordeons samen. Toen ik echter bij Ierse sessies ging kijken en later spelen, veranderde dit drastisch.

Dit gedeelte van de website gaat over de instrumenten die ik bespeel, of in elk geval een poging doe tot. Als eerste zal ik de verschillende accordeons beschrijven waar ik Ierse en Schotse muziek op speel. Vervolgens zal ik het hebben over andere Ierse instrumenten die ik mij probeer eigen te maken, namelijk de bodhrán (traditionele Ierse trommel), de tin whistle (Iers fluitje) en de gitaar (als begeleiding van tunes in een 'open stemming').

This text will be replaced by the flash music player.
Opnames gemaakt met een 4-track recorder, waarbij ik de instrumenten (willekeurige combinatie van accordeon (met of zonder bas), whistle, gitaar en/of bodhrán) één voor één inspeel.

Accordeons
De accordeons waar ik in de loop van de tijd op heb gespeeld, lopen in een soort van 'normaal-verdeling' van klein, naar groot, weer terug naar klein. Ooit ben ik begonnen op een 3-korige Delicia met 64 bassen. Toen ik hier was uitgegroeid, kocht ik van één van de leden van het accordeonorkest waar ik toen op speelde een 4-korige Delicia met 96 bassen. Toen ook dit instrument niet groot genoeg meer was om alle muziek op te spelen, ben ik mij gaan oriënteren op een 'échte' accordeon. Uiteindelijk is het een Italiaanse Mengascini geworden, 5-korig, met 120 bassen.

Op dit instrument heb ik heel veel gespeeld en ik heb er heel wat mee opgetreden. Toen ik echter na mijn verhuizing naar Enschede ging spelen bij een ander orkest, huurde ik daar een 4-korige Hohner met 120 bassen. De reden waarom ik niet op mijn eigen 120-basser speelde, is dat ik hem ten eerste nog vaak in Groningen nodig had voor optredens, maar ook omdat ik toen te maken kreeg met een tweedeling in accordeonwereld: de 'klassieke' en de 'volkse'. Op mijn eerste orkest uit Oost-Groningse Winschoten, werd veel gespeeld op accordeons met zogenaamde musettestemming. Dit houdt in dat sommige registers een enorme zweving veroorzaken in het geluid van de accordeon (een beetje overdreven vibrato, dat je ook wel hoort in de stemmen van volkszangers en -zangeressen). Dit was het eerste probleem met mijn grote accordeon: hij had 'bierregisters', zoals het musetteregister vaak wordt genoemd door mensen uit de klassieke hoek.

Een accordeonist uit de klassieke hoek speelt namelijk op een 'strak' gestemde accordeon, zonder zweving. Bovendien is het geluid niet het enige dat strak is aan het instrument. Ook de vorm moet strak zijn. Op het eerste orkest werden accordeons in alle vormen, maten en kleuren bespeeld. Op het tweede orkest moest eigenlijk alles stemmig zwart zijn, zonder tierelantijntjes. Nu was mijn eigen grote accordeon wel zwart, maar hij barstte ook van de gekleurde glimmertjes. In combinatie met de 'bierregisters' was er dus helaas geen plek voor hem in het orkest...

Toen stopte ik echter ook met het tweede orkest waar ik in heb gespeeld. Ik had inmiddels een folkband opgericht in Enschede en speelde in een aantal bandjes in Groningen. Aangezien de meeste activiteiten in het weekend plaatsvonden en elkaar gingen overlappen, moest ik een keuze maken. Dat betekende echter wel dat ik mijn gehuurde Hohner ging inleveren. Vervolgens ging ik op zoek naar een 'bandjesaccordeon'. Dit werd ook een Italiaan, een Serenellini, maar nu een 4-korige 96-basser (hetzelfde formaat als mijn tweede accordeon ooit, die inmiddels al lang een keer was ingeruild).

Deze accordeon heb ik laten omstemmen in de zogenaamde 'Ierse stemming' (genoemd naar de zweving in de meeste Ierse trekzakken). Dit betekent dat er niet een enorme musette- of bierzweving in zit, maar wel een lichte golving in de klank. Niet alle accordeonstemmers kunnen deze Ierse zweving er even goed in krijgen. Zelf kan ik voor in het Noorden van Nederland de Accordeonspecialist aanraden voor dit soort klussen. Ook heb ik er voor gekozen om dit instrument (bij dezelfde zaak) intern te laten versterken. Op die manier hoef ik nooit met microfoons te hannesen, maar hoef ik alleen maar één snoer mee om hem aan beide kanten tegelijk te kunnen versterken. Met draaiknopjes op de accordeon kan ik de balans en het volume regelen. Hoe dit precies zit, is te zien op de plaatjes.

Op deze 96-basser speel ik nog steeds veel, maar we zijn er nog niet. Later ging ik een aantal keer naar Ierland om muziek te maken. Het is alleen een heel gedoe om een instrument mee in het vliegtuig te krijgen. Een accordeon is behoorlijk groot en zwaar, maar ook breekbaar. Je kan hem dus eigenlijk niet in de handbagage meenemen, maar ook wil je hem niet in het ruim doen... De eerste twee keren heb ik dit opgelost door een oude 80-basser van mijn vader in een slaapzak te wikkelen, in een rugtas te stoppen en dan toch maar in het ruim te doen. De enige andere optie is een extra stoel kopen in het vliegtuig om je instrument op te zetten, maar dat is dan weer behoorlijk duur natuurlijk...

Die twee keren is het wel goed gegaan, maar toch zat het mij niet lekker. Daarom ben ik op zoek gegaan naar een geschikte reisaccordeon. Voor Ierse muziek heb je geen grote accordeon nodig. Tunes gaan eigenlijk niet tot boven de hoge c (twee octaven boven de 'standaard lage c') en gaan ook niet onder de lage G. Dit komt omdat het bereik van de meeste traditionele Ierse instrumenten niet zo groot is. Aan de linker kant is heb belangrijk dat de bassen doorlopen tot de Fis. Het Fis-mineur akkoord komt namelijk nog wel regelmatig voor in tunes die in A-groot of B-mineur staan.

Het komt er dus op neer dat je een accordeon nodig hebt die: 30 toetsen heeft, van de lage G tot de hoge C; 60 bassen heeft die doorlopen tot de Fis; het liefst 3-korig is, zodat je er ook nog een beetje lawaai mee kunt maken; niet te groot en/of te zwaar is, zodat hij in de handbagage van een vliegtuig mag; het liefst niet al te duur is, want je gaat er toch mee reizen... Dit zijn heel veel specificaties. Toch heb ik na lang zoeken een accordeon gevonden die precies aan al deze eisen voldoet. Ik had niet gedacht dat ik nog eens zo graag een accordeon van dit merk zou willen hebben, maar uiteindelijk heb ik dan toch een helemaal nieuwe Weltmeister Kristall gekocht.

Het duurde een tijd voordat ik dit instrument had gevonden, omdat deze versie nog maar net in het assortiment van de Harmona-fabriek zat (huidige eigenaar van het merk Weltmeister). Het was zelfs zo nieuw, dat het nog niet op de site van Weltmeister te vinden was. Toevallig was ik een paar maanden daarvoor in de grootste traditionele muziekzaak van Dublin geweest: Waltons. Hier hadden ze een versie van deze accordeon staan, dus ik wist wel dat ze bestond. Ik had er zelfs een foto van gemaakt. Nadat ik de foto naar een paar accordeonzaken had gestuurd, kreeg ik van de Accordeonspecialist reactie dat ze hier wel aan konden komen. Uiteindelijk heb ik een nieuw exemplaar besteld, voor het schappelijke bedrag van 1000 euro. Bovendien konden ze hem vanuit de fabriek al in “Ierse stemming” (met lichte zweving) leveren.

Toen was ik qua grootte van de accordeons dus eigenlijk weer terug bij af. Inmiddels speel ik heel veel op die 60-basser, omdat het een perfect instrument is om Ierse muziek op te spelen. Hij is lekker licht, dus je kan er overal makkelijk mee naartoe. Bovendien heb ik ook deze intern laten versterken. Vroeger stond het merk Weltmeister niet bekend om zijn kwaliteit (meer in tegendeel), maar sinds het is overgenomen door een grote accordeonfabriek, is de kwaliteit qua aanslag, geluid en stevigheid van de onderdelen sterk verbeterd. Het is een beetje de Skoda onder de accordeons. Sinds dat merk is overgenomen door autofabrikant Volkswagen, zijn het goede auto's, maar nog steeds relatief goedkoop.

Andere instrumenten
Het is in Ierland eigenlijk zeer ongebruikelijk om maar één instrument te bespelen. Als je in Nederland les neemt, neem je dat meestal op één instrument en kom je vervolgens op dat instrument in aanraking met heel veel stijlen. Als je in Ierland traditionele muziek gaat spelen, ga je je juist richten op één stijl, maar wel op allerlei instrumenten. Zo ontmoette ik in Ierland in 2006 een meisje van toen een jaar of 16, die allerlei muziekconcoursen won met het spelen van Ierse muziek. Ze speelde fiddle (dat doen ze bijna allemaal), banjo, bouzouki, harp, uillean pipes, flute, whistle en ze zong.

De bodhrán
Tsja, dat bespelen van al die instrumenten zat er voor mij niet meer in. Wat mij op een gegeven moment wel leuk leek, is om toch een beetje in aanraking te komen met wat instrumenten die zoveel mogelijk van accordeon verschilden. Verandering van spijs doet eten, zegt men wel eens. Ik ben dus eerst begonnen met wat Ierse percussie, en dan met name de bodhrán. Dit is een traditionele ronde trommel, bestaande uit een houten 'hoepel' met daarover een geitenvel gespannen. Deze wordt vaak bespeeld met een speciaal stokje (de 'beater'), die twee gelijke kanten heeft. Je houdt het stokje in het midden vast, zodat je beide kanten kunt gebruiken om op het vel te slaan.

Met een beetje oefenen, kan je vervolgens een ritme spelen, met daarin trucjes verwerkt zoals het stokje zo tegen het vel slaan, dat je het vel in één beweging eerst met de ene kant raak, dan met de ander en op de terugweg weer met de ene, waardoor je een heel snelle 'triplet' (triool) van drie slagjes krijgt. Dit slaan met de beater doe je met de ene hand. De andere hand heb je aan de andere kant van het vel, dus zeg maar in de trommel. Hiermee duw je harder of zachter en op verschillende plekken tegen het vel aan, waardoor het spant en ontspant. Hierdoor wordt de toon hoger (bij het spannen) of lager (bij het ontspannen).

Na een paar weekjes oefenen begin je dit soort dingen al aardig onder de knie te krijgen. Vervolgens kan je nog jaren zoet zijn met het je eigen maken van allerlei slag- en duwtechnieken, ingewikkelde ritmes, enz. Om hier het één en ander van onder de knie te krijgen, heb ik nog een tijdje lesgenomen bij Annemarie de Bie, alias Celtann. Haar ken ik van de Groningse Ierse folkscene. Inmiddels zingt ze bij de succesvolle Ierse band Fling. Je kan trouwens ook zang, gitaar, whistle, flute en fiddle bij haar leren ;-)

Toen ik het bodhrán spelen echt leuk begon te vinden (het is erg leuk om gewoon lekker met een CD vol snelle Ierse tunes mee te 'kloppen'), heb ik ook besloten om een mooie nieuwe te kopen. De bodhrán-bouwer die op dat moment als één van de beste ter wereld stond aangeschreven, was Brendan White en die woonde toevallig gewoon in Noord-Brabant. Ik ben toen naar een Iers festival gegaan in Enkhuizen, waar hij stond met een kraampje vol van die dingen. Robert Pfeiffer, een vriend van mij waar elders op deze site ook één en ander over te lezen valt, was een soort vertegenwoordiger in de bodhráns van Brendan, en ze hebben met z'n tweeën een mooie voor mij uitgezocht. Samen met mijn neef heb ik hem toen aan een mooi Keltisch patroon geholpen.

Back-up gitaar
Toen ik het trommelen een beetje onder de knie begon te krijgen, wilde ik ook wel eens wat proberen op de gitaar. Ik ben gewoon zoals ieder ander begonnen met het leren van akkoordjes in de normale stemming. Als snel kwam ik erachter, dat er binnen de folkwereld gebruik werd gemaakt van veel meer verschillende soorten stemmingen. Zo is het binnen de Ierse en Schotse folk heel nuttig om in een 'open' stemming te spelen, waarvan de bekendste DADGAD is ('DADGAD' zijn dan de tonen waarop de zes snaren van de gitaar zijn gestemd (van laag naar hoog), bij de 'normale' stemming is dat EADGBE).

In één van de bandjes waar ik in speelde, werd echter een andere soort open stemming gebruikt (die ook wordt gebruikt door de gitarist van Lúnasa, een populaire hedendaagse Ierse folkband), namelijk DADGBD (ook wel double-dropped-D genoemd, omdat het enige verschil is met de 'normale' stemming, dat de twee E-snaren naar een D zijn gezet). Deze stemming klinkt meteen een stuk Ierser op de één of andere manier. Een niet vervelende bijkomstigheid bovendien, was dat de grepen van de akkoorden ook iets makkelijker waren. Vervolgens ben ik de grepen van de belangrijkste akkoorden gaan leren. Dit zijn voor de Ierse en Schotse folk: A, Am, Bm, C, D, Dm, E, Em, F, en G. Ik met name de basis van het begeleiden, maar ik kan prima jigs en reels van een lekker ritmische akkoordbasis voorzien.

Omdat ik al accordeon speelde, hoefde ik natuurlijk niet alle akkoordenschema's uit mijn hoofd te leren. Zodra ik de grepen een beetje vloeiend kon pakken, kon ik zo allerlei akkoordenschema's spelen die ik op de accordeon met de linker hand ook speelde. Voor de verschillende ritmes kon ik vervolgens mijn bodhrán-ervaring goed gebruiken, omdat je ongeveer dezelfde beweging met je pols moet maken als bij het gitaar spelen. Ook handig was dat ik allerlei tunes zonder begeleiding en op verschillende snelheden op de computer kon inspelen, waarna ik mijzelf dan op de gitaar kon begeleiden. Zo leer je het vrij snel en is het ook nog eens erg leuk om te doen. Zo zie je maar dat wanneer je al andere instrumenten bespeelt, het steeds makkelijker en leuker wordt om er ook andere bij te leren.

Tin whistle
Tot slot vond ik dat ik ook nog wel een ander melodie-instrument moest leren spelen, maar wel één die heel anders was (vooral qua klank) dan accordeon. Veel instrumenten zoals fiddle zouden te moeilijk zijn geweest, dus daarom koos ik voor een iets minder complex instrument, de tin whistle ;-) Een tin whistle is een goedkoop blikken buisje met een plastic mondstukje. In het buisje zitten zes gaatjes, waar je van beide handen de wijs- middel- en ringvinger op legt (linkerhand boven). Als je in het lage octaaf wilt spelen moet je zacht blazen en als je in het hoge octaaf wilt spelen moet je hard blazen.

Dat is eigenlijk alles wat je in eerste instantie moet weten. Makkelijker dan bij accordeon, is dat je maar zes van de tien vingers hoeft te gebruiken (vereist iets minder coördinatie), dat je beide handen kunt gebruiken voor de melodie (en niet voor twee totaal verschillende kanten) en dat je je sowieso alleen maar hoeft bezig te houden met de melodie, en niet met akkoorden en dat soort ongein. Wat je als eerste moet leren is het omgaan met blazen, ademhaling en dat soort zaken. Verder moet je natuurlijk helemaal wennen aan het verschil tussen het indrukken van toetsen en het dichtdrukken van (combinaties van) gaatjes.

Toch vond ik het leuk genoeg om wat verschillende soorten whistles uit te proberen. Ik was begonnen met een zogenaamde MEG, van het merk Clarke. Deze heeft een conisch gevormd buisje (breed bij het mondstuk en smaller bij het uiteinde). Later kocht ik een plastic fluitje van het Amerikaanse merk Susato. Die zijn wat harder en daarom beter om mee op sessies te kunnen spelen. Het geluid is echter niet echt mooi. In Dublin heb ik daarom een fluitje gekocht die was nagekeken en verbeterd door een echte fluitbouwer. Dit was een zogenaamde O'Briain's Improved D.

Toch bleef ook dit een blikken buisje met een plastic mondstuk. Uiteindelijk besloot ik toch om voor eens en altijd een goede whistle te kopen. Ik ging toen op internet kijken en er bleek de keuze te zijn uit tientallen whistle-bouwers. Maak dan nog maar eens een keuze, terwijl je ze niet eens kunt uitproberen. Voor dit probleem is ooit het Chiff and Fipple internet forum opgericht. Hierop staat alles wat je wilt weten over alle mogelijke soorten whistles. Uiteindelijk werd ik overtuigd door een review van een whistle van de Amerikaanse whistle-bouwer Michael Burke. Toen ik hoorde dat verschillende professionals deze whistles aanraadden, besloot ik om hier maar eens wat geld tegenaan te gooien.

Tot nu toe ben ik er nog steeds erg tevreden mee. Het materiaal waar de whistle van is gemaakt is aluminium. Het mondstuk is van een speciaal soort kunststof, zodat het niet irriteert of snel verstopt raakt. De klank is heel helder en hij is behoorlijk hard, terwijl je er relatief weinig lucht voor nodig hebt.. Degene die ik heb gekocht is wat harder omdat het de 'sessie-versie' is. Hij maakt ook whistles met een meer zacht en rond geluid, door de diameter van het buisje met gaatjes kleiner te houden en door een ander soort materiaal te gebruiken. Ook mensen die al wel goed kunnen whistlen heb ik hem laten proberen en ook zij zijn er erg over te spreken. Bovendien vind ik hem ook nog eens erg mooi.

Sommige van mijn instrumenten hebben al grote podia gezien, zoals hier in Enschede.


Mijn drie accordeons. De onderste twee zijn voor 'band-gebruik'.


Zo ziet een microfoontje in één van de versterkte accordeons eruit.


Aan de binnenkant van de afdekklep zit de versterking gemonteerd.


Hier zie je één van de twee volumeknopjes en de ingang voor het 'gitaarsnoer'.


Dit is een verzameling van alle 'Ierse instrumenten' die ik (deels) bespeel.


Zo bespeel je de bodhrán aan de ene kant, met de 'beater'...


...en zo aan de andere, je drukt dan met je hand op het vel.


Een bodhrán kan je met allerlei soorten 'beaters' bespelen.


Dit zijn van links naar rechts, de Burke, de O'Briain en de Clarke.


De Burke is helemaal met de hand gemaakt. De datum, handtekening en type staan erin gegraveerd.