Home Over mij Instrument Muziek Bands Lessen Foto's Links Contact Humor

Muzikale info over Ierse en Schotse muziek

Introductie
Dit onderdeel gaat over tunes. De letterlijke vertaling van ‘tune’, zou ‘deun’ zijn in het Nederlands. Hiervan zijn er duizenden in de Ierse folk, en nog eens duizenden in de Schotse, onder te verdelen in soorten tunes. Verderop zullen de meest en de minder vaak voorkomende tunes uit Ierse en Schotse folk omschreven worden. Maar er kan ook iets algemeens worden gezegd over de tunes. Een deel hiervan is enigszins 'muziektechnisch'. Je kunt de inhoudsopgave van deze pagina gebruiken om direct door te springen naar een bepaald onderwerp. Verder vind je rechts een lijst van (bijna) alle (min of meer) traditionele Ierse instrumenten.

Inhoudsopgave
Dansen of luisteren
Speelwijze: tempo en ornamentatie
Schema's
Toonsoorten
Combinaties van tunes: setjes
Tunesoorten
Van regionaal naar globaal



Algemeen

Dansen of luisteren
Bijna alle tunes zijn in principe ‘dans’-tunes. Iedere tune heeft zijn eigen ritme, maatsoort, accenten, snelheid, enz., passend bij een bepaalde dans. Tijdens sessies echter, wordt er niet vaak gedanst. Soms wel, maar meestal is er niet genoeg ruimte voor, of zijn er geen dansers aanwezig. De tunes worden nu gespeeld om de melodie. Er is immers ook geen tekst op. Dit heeft de functie van de tunes in de loop van de tijd behoorlijk veranderd. Ze hoeven nu niet meer zo gespeeld te worden dat er goed op gedanst kan worden, maar dat er goed naar geluisterd kan worden.

Speelwijze: tempo en ornamentatie
Om goed op tunes te kunnen dansen, moeten ze vaak erg snel worden gespeeld. Echter, om een beetje leuk naar tunes te kunnen luisteren, met name voor mensen die niet zo gewend zijn om naar tunes te luisteren, is het vaak prettiger als ze een beetje langzamer worden gespeeld. Snelle Ierse of Schotse folk wordt vaak afgedaan als ‘geriedel’, waar eigenlijk geen duidelijke melodie in te onderscheiden is. Of dit zo is, hangt erg af van hoe er gespeeld wordt.

Een tune valt of staat bij de accenten. Een accent kan je spelen door een noot harder te spelen dan de rest, of door middel van ornamentaties (= versieringsnootjes) binnen de melodie. Hierdoor komt er een zogenaamde ‘drive’ in de tune. Hier is ook een bepaalde snelheid voor nodig. De kunst is om een balans te vinden tussen de snelheid en of je nog in staat bent alle ornamentatie goed te spelen. Een tune moet niet gehaast klinken. Als je bijvoorbeeld luistert naar hele goede Ierse solo-muzikanten, dan merk je dat ze vaak niet zo erg snel spelen. Ze plakken alleen overal zoveel extra nootjes tussen, dat het snel lijkt.

Schema’s
Voordat ik de verschillende soorten tunes ga bespreken, zal ik nog iets zeggen over het standaard ‘schema’ van tunes. Dit schema komt namelijk bij alle soorten tunes terug. Het meest standaard schema is als volgt: de tune bestaat uit twee delen, een A en een B deel. Elk deel bestaat uit acht maten die worden herhaald. In totaal krijg je dan A = 8x2 + B = 8x2 = 32 maten. Hier zijn veel variaties op. Sommige tunes hebben meerdere delen en/of de delen worden niet herhaald.

Toonsoorten
Omdat de meeste instrumenten die gebruikt worden in de Ierse muziek niet chromatisch zijn, dat wil zeggen niet in alle toonsoorten kunnen spelen (bijv. whistles, flutes, button accordians, uilleann pipes, harp), is het aantal toonsoorten waarin de tunes staan geschreven ook beperkt. Zo zijn toonsoorten met mollen of meer dan twee kruizen meestal niet van de partij. Om nu toch in wat meer verschillende toonsoorten te kunnen spelen, spelen de Ieren en Schotten niet alleen in de standaard mineur- en majeur-toonladders, maar ze maken ook gebruik van twee middeleeuwse kerktoonladders, namelijk de dorische en de mixolydische. De dorische kan gezien worden als uitbreiding op de mineur-toonladders, terwijl de mixolydische een extra majeur-toonladders is.

Dit werkt als volgt. Een dorische toonladder heeft altijd één kruis extra (of één mol minder) als voorteken. Dit betekent dat als men toonladders met mollen of met meer dan twee kruizen probeert te vermijden, er in Ddor (0#), Ador (1#) en Edor (2#) gespeeld kan worden. Dit bovenop de standaard mineur-toonsoorten Am (0#), Em (1#) en Bm (2#). De toonsoorten met één of twee kruizen komen het meest voor, die met nul niet zo vaak (Am eigenlijk praktisch nooit). Uitzonderingen op de regel, bijvoorbeeld tunes met één mol, zijn vaak geschreven door fiddlers, omdat dit wel chromatisch instrumenten zijn en dus in alle toonsoorten kunnen spelen. Deze tunes doen het hierdoor vaak wel minder goed als ‘sessie-tunes’, omdat lang niet iedereen mee kan spelen.

Als toevoeging op de majeur-toonladder is er, zoals eerder genoemd, de mixolydische toonladder. Deze heeft juist een kruis minder dan de oorspronkelijke toonsoort. Zo kan men, volgens de regel van geen mollen en niet meer dan twee kruizen, spelen in de toonsoorten Gmix (0#), Dmix (1#) en Amix (2#). Dit als toevoeging op de standaard majeur-toonsoorten C (0#), G (1#) en D (2#). Ook hier geldt weer dat de toonsoorten met nul kruizen het minst worden gespeeld. Mixolydische tunes hebben vaak wat Chinees en geven de tune (vind ik) iets mysterieus mee.

Het gebruik van de mixolydische toonladder heeft ook een praktische reden. Je kunt er namelijk goed een drone onder laten klinken; een lage, ononderbroken en onveranderlijke toon. Dit is voor pipers belangrijk. Hier komt een verschil tussen de Ierse en Schotse folk naar voren. Omdat de uilleann pipes, de Ierse versie van de doedelzak, meestal in D staat en een Schotse meestal in A, staan Ierse pipertunes vaak in Dmix en Schotse in Amix. Ook heeft dit effect op de tunes van andere instrumenten. Zo komen er relatief veel fiddletunes uit Schotland in A (3#), omdat het dankzij de Schotse pipes een meer voorkomende toonsoort is.

Combinaties van tunes: setjes
Als je in een Ierse sessie terecht komt, zal je merken dat de nummers die gespeeld worden zo rond de 6 minuten duren. Dit terwijl een gemiddelde tune maar 32 maten heeft en heel snel gespeeld wordt. Dit komt omdat er normaal ‘setjes’ gespeeld worden van tunes. Een setje bestaat meestal uit drie, maar soms ook uit twee, vier of nog meer tunes, waarvan de muzikant vindt dat ze goed bij elkaar passen. Deze tunes worden dan ook, zonder pauze ertussen, aan elkaar geplakt en als één nummer gespeeld. Daarbij komt ook dat in een sessie de tunes vaak drie keer worden herhaald (ook dit wisselt, maar drie is het meest gangbaar).

Dit houdt dus in dat een ‘gemiddelde’ set bestaat uit drie tunes, waarbij ook nog iedere tune herhaald wordt. Het schema van zo’n set komt er dan zo uit te zien (T staat voor ‘tune’): T1-T1-T1-T2-T2-T2-T3-T3-T3. Dit betekent dat een set opeens 32 x 3 x 3 = 288 maten bedraagt. Er zijn verschillende redenen waarom men dit doet tijdens een sessie. Een sociale reden is dat mensen die een tune nog niet zo goed beheersen, de kans krijgen eerst een keer te luisteren en dan twee keer kunnen proberen mee te spelen. Een muzikale reden is, dat men per herhaling verschillende variaties op de tune kan maken. Een praktische reden is dat je zo veel minder tunes nodig hebt om een avond sessie spelen te vullen. Bovendien, als een tune leuk klinkt, is het jammer als deze al na één of twee keer is afgelopen.

De reden waarom alles vaak drie keer wordt gespeeld, is omdat dat makkelijk is te onthouden. Als je aan het spelen bent is tot drie tellen nog net goed te doen. Als je alles vier keer wilt spelen, ben je tegen het einde vaak de tel kwijt. Maar uiteraard is dit geen vaste wet. Soms is een tune van zichzelf al lang, omdat het vier of vijf delen heeft. Veel mensen vinden het twee keer spelen van dit soort tunes wel voldoende, omdat het anders te langdradig wordt. Andere tunes zijn juist korter, omdat er bijvoorbeeld geen herhalingen in zitten (dan is de tune dus maar 16 maten). Deze tunes worden vaak juist vier of vijf keer gespeeld.

Al met al blijft het goed opletten tijdens de sessie. Kijk en luister naar degene die de set is begonnen, want die bepaalt wat de volgende tune is die gespeeld gaat worden en hoe vaak deze wordt herhaald. Hoe deze bepaalt hoe vaak een tune wordt gespeeld is hierboven al uitgelegd, maar hoe beslist de speler precies welke tune de volgende gaat worden? Vaak hebben ervaren sessie-muzikanten al de nodige setjes klaarliggen. Dat zijn dan drie tunes die ze altijd achter elkaar spelen. Dat is makkelijk, want je gaat vaak zonder nadenken naar de volgende tune. Veel muzikanten kunnen dan ook niet met de tweede tune uit het setje beginnen. Zo zit het niet geordend in hun geheugen. Ga maar eens een liedje zingen. Dan is het ook moeilijk om bij het derde couplet te beginnen.

Het is heel persoonlijk welke tunes je leuk vindt om met elkaar te combineren. Sommige mensen vinden het leuk om tunes te combineren die op elkaar lijken, anderen proberen dit juist met heel verschillende tunes. Het voordeel van verschillende tunes met elkaar combineren, is dat ze makkelijker uit elkaar te houden zijn. Zowel voor de muzikant als voor het publiek is dit een voordeel. Drie tunes die op elkaar lijken, is voor het ‘ongetrainde’ publiek (mensen die normaal niet zoveel naar Ierse muziek luisteren) vaak heel saai. Ze hebben het gevoel alsof er negen keer dezelfde tune wordt gespeeld.

Om dit te voorkomen kan je twee dingen doen. De drastische manier is om verschillende soorten tunes, zoals die hieronder staan beschreven, met elkaar te combineren. Het ritme en tempo verandert dan, bijvoorbeeld van een 6/8 naar een 4/4 maatsoort (en dat merk je wel). Dit is echter voor een sessie niet zo geschikt, omdat dit soort overgangen lastig zijn, vooral als ze onverwacht komen (dat soort dingen moet je repeteren). Een minder lastige maar ook effectieve manier, is verandering van toonsoort. Met name overgaan van een majeur naar een mineur-toonsoort, of andersom, maakt het duidelijk dat er naar een andere tune wordt gegaan.

Van een tune in D-majeur naar één in E-mineur bijvoorbeeld, gaat ook nog één toontje hoger, wat een opzwepend effect kan veroorzaken. Een set is een goede set, wanneer je bij elke overgang als muzikant het gevoel hebt een duwtje in de rug te krijgen, waardoor iedereen nog even ritmischer en geaccentueerder (en evt. wat sneller) gaat spelen in de sessie. De enige manier om achter dit soort combinaties te komen, is door het uit te proberen. Het is aan te raden goede sets op te schrijven, zodat je die vaker zo kunt spelen. Anders moet je tijdens het spelen steeds nadenken over wat de volgende tune gaat worden en dat leidt af van het spelen op dat moment. Bovendien heb je al dingen te doen als je een eigen set aan het spelen bent, zoals aan het eind van een tune de toonsoort roepen van de volgende, zodat de akkoordspelers alvast in de juiste toonsoort door kunnen spelen. Anders valt er steeds zo’n gat.



Tunesoorten

Reels:
Dit zijn de sessietunes die over het geheel genomen het meest worden gespeeld. Dit soort tunes staan een 4/4 maatsoort. Karakteristiek aan de reel zijn de accenten. Er zit een licht 'natuurlijk' accent op de 1 en wat zwaardere accenten op de 2 en de 4 (1 2 3 4), waardoor er een soort voortstuwend effect optreedt. Sowieso valt er bij een reel ritmisch meer te variëren door zijn maatsoort. Misschien dat ze daarom ook het meest populair zijn in sessies. Vooral als er een goede ritmesectie aanwezig is, meestal bestaande uit gitaren en bodhráns, kunnen reels heel swingend en met een goede ‘drive’ gespeeld worden.

Het beste wat er tijdens een sessie kan gebeuren is dat iedereen de tune kent, meespeelt en er in opgaat. Op zo’n moment kan er een ‘drive’ ontstaan. Iedere sessiemuzikant kent dat gevoel, alsof de muziek naar een hoger plan wordt getild. De ingrediënten voor zo’n drive zijn: een bepaalde snelheid (niet te langzaam, maar iedereen moet het tempo wel bij kunnen houden), een combinatie van een aantal (liefst verschillende) melodie-instrumenten en een strakke en swingende ritme- en akkoordensectie. Uiteraard geldt dit niet alleen voor reels, maar vaak is de drive bij deze tunesoort het beste.

Jigs:
De tunes die een zeer goede tweede plaats innemen op sessies zijn ‘double jigs’, of simpelweg ‘jigs’. Deze tunes staan in een 6/8 maatsoort, waarbij het accent meer op de 1e en 4e tel ligt (1 2 3 4 5 6). Van dit ritme kan moeilijker afgeweken worden dan van de 4/4 van de reel. De oudste tunes die nu nog gespeeld worden zijn vaak jigs die stammen uit de 18e en 19e eeuw. Jigs werden echter in de 16e eeuw ook al gespeeld in Ierland en Engeland en hebben zich in die tijd ook verspreid over Europa, waardoor ook in landen als Nederland, België en Frankrijk deze tunesoort voorkomt. In de balfolk (het dansen op volksmuziek) wordt de dans vaak op zijn Frans aangeduid als ‘gigue’.

Slipjigs:
Deze tunes, ook wel aangeduid als ‘hop jigs’, komen beduidend minder voor dan ‘normale’ jigs. Het karakteristieke aan de slipjig is dat deze in een 9/8 maatsoort staat. Er komt hierbij een duidelijk accent op de 1e tel en een minder duidelijk accent op de 4e en 7e tel (1 2 3 4 5 6 7 8 9). Het makkelijkst is om dit soort tunes te zien als een wals (3/4 maatsoort) geheel bestaande uit triolen.

Slides, single jigs en meer:
Ook deze tune behoort tot de familie van de jigs. Nu wordt het ingewikkeld; een slide staat namelijk in 12/8. Waarom, zou je denken, want dan kan je er toch net zo goed twee maten van 6/8 van maken. Echter, een slide in 6/8 bestaat ook, maar dan heet het een single jig (volgen we het nog?). Dit zijn eigenlijk voor het spelen in sessies niet echt nuttige dingen om te weten. In een sessie klinken double jigs, slides en single jigs vrijwel hetzelfde (de slipjig is echter wel fundamenteel anders).

De reden waarom er zoveel verschillende jigs zijn, is omdat het verschillende dansen zijn. Bij een double jig worden bepaalde ‘dubbele passen’ gemaakt. Deze moeten dan ook vaak wat langzamer worden gespeeld. Bij een ‘single jig’ worden dan ook ‘enkele passen’ gemaakt, waardoor deze over het algemeen sneller moeten worden gespeeld (de melodie is daarom vaak ook wat simpeler). Later, toen jigs minder voor dansen werden gebruikt en meer om in sessies te spelen, verwaterde het verschil tussen de verschillende soorten. In een sessie wordt daarom vooral verschil gemaakt tussen slip- en gewone jigs.

Polkas:
Zoals de slide een min of meer versimpelde jig is (om hem snel te kunnen spelen) is een polka op zijn beurt een versimpelde versie van de reel. Deze tune staat in 2/4 en de accenten liggen op de 1 en de 2, wat inhoudt dat elke tel flink wordt benadrukt. Het verschil tussen een polka en een reel is ook dat bij een polka op elke ‘bas’ een noot zit (om even in accordeontaal te spreken). Bij een reel zitten er echter twee noten op elke ‘bas’ die je speelt. Anders gezegd, de melodie van een polka en van een reel bestaan beide uit vooral achtste noten. Bij een polka worden hier achtste bassen onder gespeeld en bij een reel heeft iedere bas-toon een kwartnoot lengte. Dit zal bij de geluidsfragmenten op deze site duidelijk worden gemaakt.

Hornpipes:
Deze van oorsprong Engelse tunes zijn een slag apart. Veel hornpipes (letterlijk vertaald naar het Nederlands ‘horlepiep’) hebben iets oubolligs, iets klompendansachtigs (dat is met de meeste Engelse tunes het geval overigens). Ze staan dan ook bijna altijd in majeur. Persoonlijk ben ik hier niet zo’n fan van. Je hebt ook hornpipes die hier overigens minder of geen last van hebben en die probeer ik dan ook zoveel mogelijk te verzamelen (dit zijn vaak hornpipes afkomstig uit Ierland).

Hornipes staan in 4/4 en hebben het accent op de 1 en de 3 (1 2 3 4). Let hierbij op het verschil met de accenten van de reel, die ook in 4/4 staat, maar hierdoor heel anders gespeeld wordt. Verder bestaan ze in zijn geheel uit ‘hopfiguren’, oftewel een achtste noot met punt, gevolgd door een zestiende. Omdat ze ook een stuk langzamer worden gespeeld dan bijvoorbeeld reels, komt dit figuur er ook heel duidelijk uit naar voren. Hornpipes worden wel in sessies gespeeld, maar niet zo heel veel.

Marches:
Deze tunes, de marsen, hebben zoals overal ter wereld iets symbolisch. Meestal hebben ze een militaire betekenis. Zo hebben verschillende clans in Ierland en Schotland hun eigen marsen, als een soort wapenschild, maar dan van muziek. Ook werden er vaak marsen geschreven naar aanleiding van militaire gebeurtenissen, zoals The Battle of Aughrim. Later werden marsen ook gebruikt als dansmuziek. Marsen zijn meestal in tweedelige maatsoorten, zoals 2/4 of 4/4, maar er bestaan ook marsen in 3/4, 6/8 en 9/8.

Marsen moeten vaak rustig worden gespeeld en heel sterk geaccentueerd (vaak op iedere tel een accent). Je moet er immers op kunnen marcheren. Omdat je er op kunt marcheren, worden deze tunes vaak gebruikt door pipebands in Schotland (dit soort marsen worden dan ook vaak ‘pipe marches’ genoemd). Deze pipebands zijn goed te vergelijken met de fanfares uit Nederland. Beide soorten muziekkorpsen zijn ontstaan in het leger. Ierse en Schotse marsen worden vaak in mineurtoonladders gespeeld en klinken hierdoor, in combinatie met hun duidelijke accenten, vaak wat ‘spannender’.

Waltzes:
Ook walsen komen voor in de Ierse en Schotse muziek. Eén van de bekendste is 'sessie-walsen' is Inisheer (genoemd naar één van de Aran Islands voor de kust van Co. Clare), vooral geliefd bij beginnende spelers, omdat het een simpel maar mooi melodietje heeft.

Mazurkas:
Dit is een soort wals, oorspronkelijk afkomstig uit Polen, maar die zich in de loop van de tijd door heel Europa heeft verspreid. Met name in Frankrijk is het een erg populaire dans, maar ook in Ierland en Schotland worden ze gespeeld. Ook deze tunes staan in 3/4. Het verschil is echter dat ze vaak iets rustiger worden gespeeld dan de wals, plus het accent ligt anders. Bij een wals ligt het accent alleen op de 1, terwijl bij een mazurka het accent vaak op de 1 en de 3 ligt (1 2 3).

Strathspeys:
Dit soort tunes zijn typisch Schots en worden niet veel in Ierland gespeeld. Het zijn tunes die een beetje te vergelijken zijn met hornpipes. Ze staan ook in 4/4, worden niet zo snel gespeeld en bestaan ook uit hopfiguren. Een karakteristieke eigenschap van deze tune is echter, dat er veel ‘gedraaide’ hopfiguren in zitten, waarbij de 16e noot niet na, maar voor de 8e met punt aankomt.

Highlands:
Dit zijn Ierse tunes die zijn afgeleid van de Schotse strathspey (en daarom vernoemd naar de Schotse Hooglanden). Sommige gebieden in Ierland hebben altijd intensief contact gehad met Schotland (en hebben dat nog steeds). Co. Donegal (in het uiterste noordwesten) is hiervan het beste voorbeeld. Het grootste verschil tussen de strathspey en de highland is dat ze sneller worden gespeeld. In sommige delen van Ierland, waar deze minder voorkomt, wordt de tune en de bijbehorende dans ook wel een ‘fling’ genoemd.

Van regionaal naar globaal
Hierbij zijn de meeste soorten tunes wel behandeld. Met name marsen, walsen, mazurka’s, strathspeys en highlands komen in de Ierse sessies het minste voor. Hoe dat precies in Schotse sessies zit weet ik niet precies. Ik vermoed dat er wel wat meer strathspeys gespeeld zullen worden dan in de Ierse, maar de reels, jigs en hornpipes zullen over het algemeen overheersen. Hierbij moet worden gezegd dat er zowel in Schotland als in Ierland verschillende regio’s zijn waar bepaalde tunes in meer of mindere mate worden gespeeld. Zo worden in de Co. Kerry in Ierland met name polka’s en slides gespeeld.

Als ‘Nederlandse Ierse muzikant’ speel je voor je gevoel ‘Ierse tunes’. Echter in Ierland zelf zit er een groot verschil tussen de verschillende counties (soort provincies). Zo waren er vroeger in de Co. Clare enorm veel tunes die alleen in die county werden gespeeld. Er waren zelfs tunes die bepaalde dorpjes niet eens uitkwamen. Het was dan ook niet zo normaal dat je als ‘sessie-muzikant’ overal maar aan kon schuiven, want het verschil in repertoire was vaak te groot. Naast het repertoire verschilt ook de speelstijl (bijv. ornamentaties, snelheid) per county.

Toch zijn er in de loop van de tijd heel veel tunes ontstaan die ‘iedereen’ speelt. Dit heeft meerdere oorzaken. Ten eerste gingen mensen op een gegeven moment opnames maken van Ierse muziek. Met name in Amerika gingen, aan het begin van de 20e eeuw, geëmigreerde Ierse muzikanten in kleine studiootjes opnames maken. Deze opnames kwamen ook weer in Ierland zelf terecht en werden behoorlijk populair. Zo konden de tunes die op die opnames stonden zich makkelijk verspreiden, want veel Ierse muzikanten, verspreid over heel Ierland, gingen ze spelen. Zo ontstond er langzaam een gezamenlijk repertoire.

Vandaag de dag heb je echter niet alleen een ‘landelijk’ standaard repertoire, maar zelfs een ‘globaal’ standaard repertoire in de Ierse muziek. Tunes als ‘The Maid Behind the Bar’, ‘Joe Cooley’s Reel’ en ‘The Kesh Jig’, worden overal ter wereld in Ierse sessies gespeeld. Dit komt niet alleen door opnames, maar met name ook door internet. Er zijn enorme gemeenschappen op internet, van Ierse muzikanten over de hele wereld, waar men tunes uitwisselt. De meest uitgebreide en bekende is ‘www.thesession.org’. Hierop staan niet alleen duizenden tunes (op noten, abc-notatie, of midi), maar ook uitgebreide discussies over veel van deze tunes, hoe deze gespeeld zouden moeten worden, in welke toonsoort, op welke CD’s je ze terug kan vinden, enz.

Zie de links-pagina op deze website voor meer handige websites.



<<< TERUG naar MENU

De twee meest voorkomende vormen van Irish Dancing zijn: Irish Stepdancing...


...en de 'Ceili'-stijl, waarbij Ceili iets als 'muziekfeest' betekent


De traditionele Ierse 'box' is niet de piano-accordeon, maar de trekzak


Nog een Iers instrument uit de accordeonfamilie is de concertina


Het meest voorkomende melodie-instrument: de 'fiddle'


Ook veel voorkomend is de 'flute', een houten dwarsfluit


Het bekendste traditionele instrument: de 'tin whistle'...


...en zijn lage variant, de 'low whistle'


Een instrument dat alleen bij de Ieren voorkomt, is deze 'uilleann pipes'...


...en een instrument dat alleen bij de Schotten voorkomt, is deze 'highland pipes'


De 'tenor-banjo' met vier snaren is ook traditioneel Iers


Nog een typisch Iers instrument is deze bodhrán


Uit Amerika overgewaaid, meestal gebruikt voor het begeleiden van zang/tunes: de gitaar


Uit Griekenland overgewaaid en aangepast: de 'Irish Bouzouki'


Uit Italië overgewaaid en aangepast: de 'Irish Mandoline'


Het nationale symbool van Ierland: de 'Celtic Harp'


De 'hammered dulcimer' kom je ook af en toe tegen bij de Ieren


Ook in de traditionele Ierse muziek opgenomen, is de mondharmonica


En tot slot, steeds meer in het traditionele repertoire opgenomen: de piano-accordeon